Een recente uitspraak van Rechtbank Rotterdam maakt duidelijk dat het zogenaamde ‘slapende dienstverband’ allesbehalve in diepe rust verkeert. In dit blog gaan we kort in op de actuele ontwikkelingen sinds onze vorige bijdrage over de risico’s van een slapend dienstverband.
Recap – Slapend dienstverband
Een dienstverband wordt slapend als deze na 104 weken arbeidsongeschiktheid voortduurt terwijl de loondoorbetalingsverplichting is geëindigd. Werkgevers kiezen er vaak voor een dienstverband slapend te houden, omdat zij bij beëindiging ervan de transitievergoeding moeten betalen.
Vakantiedagenopbouw tijdens slapend dienstverband
De Nederlandse wet koppelt de opbouw van vakantierechten aan het recht op loon. In augustus 2025 oordeelde Rechtbank Gelderland echter dat dit in strijd is met Europees recht en werknemers ook tijdens een slapend dienstverband vakantie-uren opbouwen. Volgens Europees recht bouwen (ook arbeidsongeschikte) werknemers over het dienstverband vakantie-uren op, ongeacht of zij recht op loon hebben. Rechtbank Gelderland verwoordde dit als volgt:
“Zieke werknemers bouwen de gehele ziekteperiode, en niet alleen de eerste twee jaren, volledig vakantie-uren op, ongeacht of zij arbeid verrichten en ongeacht of zij recht hebben op loon.”
Met andere woorden: het enkele in dienst zijn geeft recht op vakantiedagenopbouw.
Inmiddels zijn meerdere procedures gevoerd over de vraag of werknemers tijdens een slapend dienstverband vakantie-uren opbouwen, met verschillende uitkomst. Zo oordeelde Rechtbank Noord-Nederland dat een werknemer met een slapend dienstverband geen aanspraak heeft op vakantie met behoud van loon, nu tijdens een slapend dienstverband geen recht op loon bestaat. Rechtbank Noord-Nederland neemt daarbij in aanmerking dat een aanspraak op vakantie met behoud van loon haar doel mist, zoals dat volgt uit Europese rechtspraak.
Ook de juridische literatuur schetst geen eenduidig beeld.
Schept de Hoge Raad duidelijkheid?
Rechtbank Rotterdam wil deze discussie definitief laten beslechten en de volgende prejudiciële vraag stellen aan de Hoge Raad:
“Bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt – vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband?”.
De praktijk heeft belang bij een antwoord op deze vraag omdat er veel slapende dienstverband zijn en werkgevers een ontslagvergunning nodig hebben om de arbeidsovereenkomst te kunnen opzeggen. De UWV-ontslagprocedure duurt minstens vier tot zes weken waarna de werkgever nog rekening moet houden met de opzegtermijn. Kortom, hier gaat de nodige tijd overheen en dus maakt het (financieel) verschil voor partijen of de werknemer gedurende deze periode wel of geen vakantiedagen opbouwt. De Hoge Raad heeft de prejudiciële vraag op 23 maart 2026 gepubliceerd op haar website en opgesteld voor schriftelijk opmerkingen tot en met 5 juni 2026.
Wij houden u op de hoogte
Rb. Rotterdam 2 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2021
Overige uitspraken:
Rb. Gelderland 12 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7054
Rb. Noord-Nederland 19 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5517